Skip to content
TrackPodcasts
artsSep 11, 2026

20260911-0800

Podcast Patapoe

About this episode

Podcast Episode

Get every episode summarized

Each time Podcast Patapoe publishes, we email you a written briefing from the transcript — the topics, who appeared, and any specific claims, with the ad reads skipped.

Email me new episodes

Free for 3 shows. No card needed.

Hosts & guests

Transcript ready

593 searchable segments. Every word is indexed and playable.

20260911-0800

Podcast Patapoe

0:00
0:00

Full transcript

Podcast Patapoe20260911-0800. Machine-transcribed; use the interactive transcript above to jump the player to any line.

MUZIEK. Ik ben van de week zet uit mijn huisje. Geen mengen gevoelend. Ja? Ja, patapoe. Ik heb jouw zema en graag gedaan. Ja, dank je wel. Sorry, ik raak niet mee. Ik ben zoveel geheids. Hanks. Dank je wel. Ja, dank je wel. Ik heb tof van een boekje. Ja, zwa. En Henry, of zwaar? Nee, de 1,5. Sturlie. Ik heb gemengd, of zwaar? En een kant.

Het is verschrikkelijk. Ja. Ja, maar en raar. Ze hebben al die 30 stuks of zo gehoord. Ja, 30 minuut. Ja, zacht echt veel. Ja, ik ga er van doen. Ja, ik ga er allemaal. Ik zag een mucht op de hoofd. Oh, je bent aan een interview. Ja. Nou ja. Wat is dat? Ik zag hier een kussen. Tiki-tiki. Doe eens het. Rauwke. Ja, ik ben er. Ja, ik ben er. Ja, ik ben er. Wat heb je ooit gedaan? No, ik ben er afgelopen. Kijk.

Kwa.

Juist. Dit is לנו. AOPL Россie zijn hier. We hebben geluiden. En de comfort heavilyesserихst. Ik wil Syria op je feest. Dan BH2, snel. Hetיך niet. agaan. Dat l needing je om teめemen. Een competitie vigt waar hij niet Jimin ziet,Why? Por Bongtheon. Nee' je stappens die er onverdelen van zich toe bent achieve diezzaan hebben verer�iler. Daar krijgen curs al een probate tevreden Almighty. Even heb ik een prachtig heer in predicatie et je of hij goed gaat zo neer. Weet ze, hè. De sneeuwsteu. En het eind van het jaar 1811, in die voor ons zo gedinkwaardige tijd, leeft er op zijn landgoed, in Jorra Doble de braven Gafieler Gafieler Wich.

Hij stond een gehele strek hoog aangescheven om zijn geluid en zijn gastveijt. Z'n buurend kwamen hem om ophouderlijk bezoeken om mee hem te eten en te drinken of om met zijn vrouw om vijf kopeken, was dan te spelen. En sommigen erin, ook naar zijn dochter, Maya gaf vrieloven naar te kijken. En slang bleek meisje van 17 jaar. Mijn dag in haar is een goede partij en menegeen had haar haar al aan zichzelf of zijn zo'n zo'n gedacht. Maya gaf vrieloven naar was opgevoerd met Frans de Romant. Een dient in gevolgen was er verliefd. Het voorwerp van haar keuze was een arme vaderig die zijn verlooptijd op zijn land goed doorbracht. Het spreekt van zelf dat het hart van die jonge man flanden van eenzelfde hartstochte in dat ouders van zijn geliefde. Toen zij deze wederzijds zijn geneen en bemerkte hun dochter verboden ze als ook maar

ervan hem te denken. En het nog slechter ontvingen, dan wanneer hij ingepensioneert als zij zo'n zo'n geweest. Onze geliefde schreef in elkaar gegegeld en zagen elkaar dagelijks alleen in het kleine dinnabos of bij de oude kapel. Daar zwoordig is elkaar even geliefde, beklaagde zich over hun lot en smeden verschillende planten. Door alle briefen en gesprekken, kraam er zij, en dat was natuurlijk logisch, dat er volgende slotsen. In die wij, in die wij, zongen elkaar niet kunnen leven en als de wil van onze hart vochtige ouders ons geluk en wegstaat, moeten wij die dan niet weer streven. Het spreekt van zelf dat deze gelukkige gedachten het eerst opklam in het brein van die jonge van, en dat zij ten volle werklang voendt in de verbelding van de romantische Maya Gabrielaud na. De winter trot in en maakt een einde aan en dan moet in.

Maar mijn brief is geling werd daardoor des te leven nog. Blan die weer Nikolae wiedt, smekte Maya, Gafrielaud na in ieder gebrief opnieuw zich aan hem te vertrouwen. In het geheim een huwel het aan te gaan, zich daarna enige tijd verborgen te houden en zich dan aan de voeten van haar ouders te werpen, niet aan het natuurlijk, het ten slotte gehoord door de helge trouwen en het verdriet van de gelieven zonder twijden volzouden zeggen. Kinderen komt in onze armen. Het duurde lang, er Maya Gabrielaud na tot een besluit kon komen. Het ene onfluchtingsplan na het andere werd verwerpen. Maar uit einde lepstemden zij dan toch toe. Op een bepaalde dag zou zij niet aan het avond eten verschijnen en zich in de kamer terugtrekken onder het voorwensel dat ze hoofd bijna naar kamer meisje zou ook in het complot worden betrokken. Bij de zouden langs de achtertrap de tuinwinne gaan.

Achter betuin zouden ze slege vinden, waarin ze zouden plaatsnemen om een regelrecht naar het kerkje in het dorp, dus jij had de ginoel te rijden. De vijfwers van Janna Rodova verwijderd. Daar zou Vladimir haar opwachten. De hele dag, voor de beslissende dag, nacht. Kom Maya Gabrielaud na het besluit niet vatten. Samaten zich lui stv. Pak daar onder goed en aan jeurke zamen tot een bundel. Scheef van lange, begief aan een vriendin, een gevoelvolle jongen namen en een tweede aan haar ouders. Zijnabberde hoerenst de behoorning en afscheid van hem, verhond schuldig haar stap door de onwestaatmaar gekacht naar haar liefde en eindigd met een verzekering dat zij op dat ogenblik als het gezegendste in haar leven zou beschouwen, waarop zij zich aan de voeten van haar dierbare ouders zou werpen.

Toen zij erbij de wiefaat dichtgeplakt met een douille aangelegel, waar twee verlammen naar haar top afgebeeld waren met een doel passel op de opschrift, veel ze eerst tegen het aanbreken van de morgen op haar bed neer en het slieps poedig in. Maar ook toen nog schrikte zij telken door de vreesselukse dromenwakker. Eerst dromen ze dat haar vader haar tegenhield juist op het ogenblik dat ze in de sledenwiel bestappen om naar de kerkelijke inzegen niet te rijden, dat hij haar met een angst weg aan de vader is neusleurde en haar daarna in een donkere bodemloze put weer. Ze vioel hals over kopp na beneden en een onuitspekelijke angst maakte zich van haar meester. Daarna zag ze haar blaadie muren op het gas liggen, bleek met bloedbesmuurd. Hij was sterverde en smekte haar met door dringende stem, toch vlucht met hem te troonen. Deze en nog andere fantastische zinneloze dronbeelden dronden doemden nou naar elkaar voor haar

op. Eindelijk stond ze op van haar bed nog bleken dan gewoon en met ongefeinste hoofd. Hij vader en moeder bemerkt haar ondust in een tedende bezorgdheid en ongebouwlijke vragen. Wat is er dan magja? Die bent toch niet ziek magja? Schnee daar door de ziel. Ze trachten en gerusten sterven, vrood op te doen, maar dat gelukt haar niet. Het werd avond. De gedachten dat zij voor het laatste dag had doorgebracht in de kink van haar familie beklend daar. Ze was meer dood dan levend. In stilte nam ze afsrijd van alle mensen en dingen die haar omrinden. Het avond eten werd opgediend, haar haar de bondsten. Met beven de stemzijzen dat ze liever niet aad en mensen haar vader en moeder een goede nacht. Ze kusten haar en ga van haar zoals gewone kinsegen.

Ze moest zich geweld aan doen haar draaden te bedienen. In haar kamer gekoven veel zinerend en stoel en brak in snekken uit. Herkabermijsje spak aan moet in de proberen daar te komen. Alles was gegaan. Over een hoveursamachtja van goed het ouderlijke huis verlaten. Herkabermen en haar rustige jongen levendje van jongbijsje buiten woorden een sneeuwster. Erin loeie en de luiken schudden en me rammen. Dit alles schenaren dragen en droefgees te voorteken. En duurde die lachen wel als was still in huis. Iedereen sliep. Maascha heel be zich in een schaal. Trok aan waar mijn manterlaam. Dan maaien je wereldkisch in de hand en ging langs de achtertaap naar beneden. Het meisje volgt haar bij twee buiten ons. Ze liepen de tuin in. De sneeuwsturm was nog steeds niet bedaard.

De wind woe je in het gezicht als wilde hij uit. Allemacht de jongen daar bestegenhouden. Met moeite bereidt is het einde van de tuin. Op de weg wacht een sleeder op haar. De verklumde paarden stonden er in alvamblikstil. De koutie van Vlaar die meer liep voorde dit albal me in het meer en heel het zijn vuurige beesten in bedwan. Hij hield de jongen daarmee in het meisje in sleeden, ligt het kisje en de brandozein. Dan de teugels op en de paarden vlogen ervandoeien. Nu wij de jongen dame aan de zorgen van het rot en aan de kunde van de korie in Chattesjoshka hebben toevart wel het keer dat wij dan onze jonge midaard terug. De gehele dag was ladiemiddel in de weer geweest. Smorgens had hij de geestelijke en chattinoop gezog. Met moeite had hij hem voor zijn pommegemoed. Toen was hij op zoek gegaan naar getuigen onder de landheer in de ontwikkeling.

De eerste bij wie hij zijn opwacht die maakte, de 40-jarige, gepensioneerde, coronet draabien, stembegaard en toen. Het avontuur herinnerde hem, volgens zijn eigen zeggen, aan vroeg jaren en aan steken uit zijn uzeren tijd. Hij houdde vlaar die meer over, de hem te blijkt eten. En verzekerde hem dat het geen moeite zou kosten, de twee andere geduigen te vinden. En in de daad, na het eten, bescheden de labmeten smiet, met spoorren en de snor, en de zoon van het hoofd van een de strifspolitie in 16-jarige jongen, die kort geleden dievast had genomen bij die huiladen. Als hij namen niet alleen het voorstel van wat die meer aan, maar schoeren hem op of het ding dat ze bereid waren, hun leven voor hem te opheren. Volvervukking om helster Vladimir en ging daarna naar huis om alle vertigende mannen te treffen. De avond was reeds lang gevallen.

Hij stuurde ze vertrouwde Tijoska met zijn droik aan de ninderandof. Gaf hem uit voorregende ocherger in structies, niet voor zichzelf een kleine sleden met één paard bespannen en reed alleen zonder koetzeer dan zet hij door. Waarover twee uur, maar ja, gaf reed of na ook zakken. Hij kende de weg en het was een ritje van niet meer dan 20 minuten. Benauwelijks was Vladimir in het openveld aangekomen of de wind sta op en voerde zo'n heven gesnijljag met zich mee dat hij niks of zich heen kon zien. In enkel ook ogenblikken was de weg ondergesneerd. Het gehele land rondomlaag verzonken in de waarschijn geelachtig en nevel. Daardoorheen jonge witte sneeuwvloggen. De heenbal was versmolten met de aarde. Vladimir was in het veld er recht gekomen en probeerde te vergees weer op de weg te geraken.

Zempaard draaft er op goedgeluk voor het draaft op voetgeluk. Nu een sliepetegen de sneeuwop op. Dan weer zakten de weg in een koe, de sleden kantel we ieder ogenblik. Vladimir deed zijn uitzend best om te mensen de juiste richting niet te verliezen. Maar het schenem dat er al meer dan een half uur was verloopt. En nog steeds had hij het stuk bos, waar ze al die nog niet bereikt. En voor liepen weer ze er atiem bedoeten, maar nog was het bos niet te zien. Vladimir redwaardst door het veld dat met die begroeven door sneeden was. De sneeuwstorm heel aan. De heenbal werd niet lichter. Het paard begon moeten worden en hij zelf bad in het zweet niet tegenstaan met vijt, dat hij kijlgrunst op aan zijn binnen in de sneeuw weg zakten. Dan slotten werd het duidelijk dat hij niet de goede richting uit ging. Hij bleef stilst aan. Begonnagen te gaan.

Hoe hij was gereden zich voor te stellen waar hij nu kon zijn. En hij kwam tot een slot zon dat hij rechts aan moest houden. De sching niet naar rechts. Ze een paard kan nauwelijks meer vooruit. Hij was nu al meer dan een uur onderweg. Zodien had hij nog kon niet vermier zijn. Hij reed en reed, maar er kwam geen eind aan hetzelfde. Overal snel open in kuyle telkensloeg de sledoel, telkend zet haar weer overheen. De tijd voor liep Bladie meer begon zich ernstig ongeveerste maken. Eindelijk dood ik het zwartzoek in de ver. Bladie meer reed te heen. Na de wijgekomen onder schijt hij hier stuk bos. God zijdankt dat hij nu is het niet vermier. Hij reed langs de zon van het bos in de hoop nieuws poedig op de bekende weg te komen of om het bos heen te kunnen rijden. Hij had hier doorlagge vlak achter. Durden niet lang of hij had de weg gevonden en reed het donker van het kale win de bos in.

Hier had de win iets aan kracht. De weg was even het paard weer vermondter en Bladie meer van inelelijk iets tot rust. Hij reed verder en verder, maar van het schijt hij nog was geen spoor. En ik kwam ook geen eind aan het bos. En tot zijn grote schik bemerkte Bladie meer te sloten dat hij een onbekend bos was ingeëd. Vanop maakt hij zich van de meeste. Hij slogen met paard los. Het armen die je begon te draven begring als poedig weer langsamer en liep naar een quartier stap voedst. Ondanks alle moeite die de armen Bladie meer neen. Maar langs de maand werd het licht er tussen de bomen en de durden niet lang meer of Bladie meer hadden bos achter zich. Van zijn drie noemen was hij echt een niets te bekennen. Het moest nu een gewere midden nacht zijn. Draan spommende midden ogen op goed gelukkig reed die door. De storm was gaan liggen. De woken dreven uit één. Voor hem lagt het openveld. Bedekt met een gove win plijn.

De nacht was stamen er heelber. Niet veraf zag in een gerucht dat uit vier of vijf boerhove bestond. Daar leed hij in. Hij had eerst de huisjes pomen uit de sleden en begon tegen de draam te ploppen. Na enkele minuten ging het lopen. Houten lijken omhoog en een oude grijze man staks een baard naar buiten. Wat is er? Is het nog ver? Naar zat je nog? Of het nog ver is? Naar zat je nog? Ja, is dat nog ver? Nou, niet zo erg ver, zo wat tien wers. Bij dit antwoord grijp wel een himenaar z'n hoofd en blijf roerloos staan als een terdoot voordel. Welkom je van dan? Vroeg de oude man. Beledimier had niet te boed op deze vragen antwoord. Zeg eens maar. Kun jij geen paardle verschaf om? Daarmee naar Shady Nodderheden. Hoe zouden wij een paarden komen? Vroeg te boer.

Kan ik dan misschien iemand krijgen om er de weg te wijzen? Ik zal hem net zoveel betaal als iemand hebben wil. Wacht even zij de oude man en er niet het luik weer zakken. Ik zal hem zo naar buiten sturen. Die brengt je dan weg. Dat blijft niet meer wachten. Maar nou, 1 minuut, we gaan niet opnieuw te kloppen. Het luik ging omhoog. De baard kwam opnieuw te voorschijn. Wat wil je? Daar blijft je zo nou. Er komt zo daadelijk eerst mee zes naar luisteren aan te trekken. Heb je het koud om er even binnenom je te warmen? Nee dank je. Stuur je zo'n maar liever. Ga nou met hoe. De durp knarste en ik kwam een boer er jonger naar buiten met een stok in de hand. Hij liep vooruit. Durant wegwezen, dan weer zoekend waar hij was. Dan weer zoekend waar de weg was ondergesneerd. Hoe laat is het voor Vladimir? En het zal zo wel dag worden. Antwoordend is de jonge boer. Vladimir spakt geen boord meer. Naar een kijk al, het was licht, toen ze als je had ieder geëindt.

De kerk was gesloten. Vladimir betaalt er ze geluid en ging naar het huis van de geestelijke. Zemtroek has ons niet op het erf. Welke bericht wachten er daar? Maar laat ons terugkijnen en naar de braven bewoner van hierna. Brouder wil en laat ons zien wat ze daarbij hen afspeld. Nou, niets. Daadjes waren gewakker geworden en naar de sitkamer gaan. Gavrilowietjes met zijn slaap met z'n op en de baanje jasje aan. Prascoaia Petrovna in een gebateerde ochtend Japon. Dus aan m'n wereld bij binnengebracht en gavrilowietjes stuurt het mensen naar mij aan gavrilowna om te vragen hoe het met haar was en hoe ze geslapen had. Het meisje komt terug met de mededelig dat de jevrouw niet goed geslapen had. Maar dat ze zich toch wel beter voelen en dadelijk beneden zo zijn. En in de daad gingen de duur open en kwam maar ja gavrilowna bieden.

Ze wensdag waren en moeder en goede moeder. Hoe is het met je hoofdmasje voor gavrilowietjes? Beta-pap aan het woordenmasje. Je hebt gisteren zeker hoofdbeing gekregen van de kolenlamp. Het Prascoaia Petrovna. Misschien wel mama aan het woordenmasje. De dag ging verder ongestoord voorbij. Maar snacht werd massa ziek. Er werd naar de stad op een doktor gestuurd. Hij kwam tegen de avond en troft de patiënten eilende aan. Ze had zwaar gekoord en twee weken zweefde de armen zieken tussen neven en dood. Niemand in het huis wist iets af van haar vorige noemde vucht. De briever die zij de vorige dag geschreven had waren verbrond. Hij mij zat er met niemand over gesproken om het zij de toren van medieren mevrouw vreesten. De geestelijke, de gepensioneede kornet, de lampmeister met de snor en de kleine oelaan, waar het is geet geweest en dat niet zongereden.

De kocier, Jajoska sprak nooit en over tolle hord, zelfs niet als hij de oomke was. Zo doen de bleef het geheim bewaard, hoeveel aan meer dan een half doos zijn mensen bij betrokken was. Maar in haar elk koord liet manje gaf hij erop naar zelf haar grijmen los. De woorden die zij sprak waren echt zo ontsamenhaanend dat haar moeder die niet van haar bedweeg en haar er alleen uit kon opmaken, dat haar doodelijk verlieft was of laat die blaaliemende Nikolaëwietje en dat die liefde waarschijnlijk de oorzaad was van haar ziekte. Ze voorgraat aan haar man en er een enige buur en tenselte waren alle heter over eens dat dit lot maar je gaf hij of na blijkebaar was beschoren dat niemand z'n voorbeschikte bruiden om kan opkomen, dat Armoedig en Schande is dat niet met het geld maar met een man moet leven en ze voor het.

Morhela uit spraken zijn mondbewaarlijker zijn mondwannelijk nuttig in die gevallen waarin wij uit ons zelf niets kunnen bedenken om ons gedrag te zichtvaardigen. Ik tussen begonnen jongen daarmee weer op te knappen. Sinds land hadden het wel die weer niet weer gezien ten huis het was van Vreda, Gavrilowietje. Hij was waarschijnlijk afgeschikt door de wijze waarop hij geboren omvangen was. Mijn besloten daarom hebben te ontbieden om een delgenood te maken van het onverwachte geluk. De toestemming was natuurlijk maar ongroot was de verbazing van de bewoners van Jennaraadowel. Toen zei je dat aan wordt op een uitdodigd van hem, hij gaat niet geheel normaal de brieven onfringen. Hij wilde hun beelden dat hij door het weer een voet in het huis zou zetten en vroeg de ongelukkig het vergeten voor wie de dood de enige uitkomst zou zijn. Eindige dagen later horen ze de Vladimir, dingstadgenomen in het leger.

Dat was in 1812. Een lange tijd wachten we niet de herstelende maar je mag hiervan op de hoogte te brengen. Ze sprak nooit over Vladimir. Toen ze enige mannen later zijn nam van meldvond in de lijst van die geden die zich bij behoor die nog hadden om de scheid en zwaar gebond waren, veel ze vlaan en een vreest dat de korsen weer zouden terugkieren. Maar God zij danka deze vlaan te geen gevolgen. Nog een ombervrediet kwam hoog. Avrilagavillowietsteer en Liethaar als ervrenaar van zijn land goed achter. Maar deze na laatenschap prachtig geen troost. Zij deelde oprecht in de smart van haar moeder de armen pas krowen en patrofnen en beloofd haar eigenlijk nooit vanuit de solleschijden. Ze verlieten bijden, nimmeren doorwoon met zijn droeven herinneringen en gingen nog een land goed in het droef van de mendex wonen. Hier, omrindende huurlijkskampidaten ook het lieven en rijke huurbare meetje.

Maar zij gaf die manth hoop. haar moeder probeerde haar dikbel als over te hadden en de keuze te doen. Maar dan schritten maar ja, gevrilagavillowiet na het hoofd en verzond in die na dint. Waar die meer was al niet meer onder de leven. Hij was in Moskage Storven, een dag voor de intocht van de Franse. Ze nagendachten in Schemma, hij heilig. Ze hebben waarde ijmer zo veel nog alles wat aan hem herinnerde. Bokken die die eens gelezen had, tekeningen die die had gemaakt. En die muziek en de versen die hij voor haar had overgeschreven. De buuren die geheel op de hoogte waren bewongen naar stand vastigheid en wachten volgen prikkelbe die scherigheid op de helft. Wie het en slotten gelukkend zouden zevenvieren over de droefgeestige trouw van deze maagdelijke artemis. In tussen was de oorlogroom volgeenigd. Onze troepen kwamen uit het buitenland terug. Het folklippen toegemoet.

Die muziek speelde uit het buitenland overgenomen liedig. Viva hangikatgen, die rollerwallsen, aariazet, cio-konda. De officiëgen nog bijna kindbinnen toen ze uitdragen, keren er nu terug door de oorlogmanen geworden en met orde tegens behangen. De soldaten praten volgen op elkaar en telken, dan ook in een hulgesprek in Duits en Franse woorden op. Het was een onvergetelijke tijd. Een tijd van geestlift en van room. Hoe vuurig klopt iedereen, vrischijt bij het woord Vaderland. Hoe zoet waren de traanen van het eerstien. Hoe werd in ons hardheid gevoel van nationale trots dat een ondeelbare eneheid met de liefde voor de zaar welk grootst overblik was het van hen zelf. De vrouwen, de Russische vrouwen waren in die dagen onvergevenlijk, onvergelijkelijk. De koolheid die haar eigen is was verdwenend. haar geestlift was meeslepen, vaneer zij de overwinnaars met een wargerop, toen duurigten en de hoog in de lucht haar muntjes weerpen.

Wie van het toenmalige officiëren zou niet hebben toegegeven dat hij het hoogste het kostbareloon om ving van de kant van een Russische vrouw. In deze glantperiode woonde Maya gaf vrielig na met haar moeder in het roeverde munt X. En zij was aan niet getuigen van hoe de beide hoofdsteden de terugkeer van de troepen vieren. Maar haar en de provincie steden er nog wat de land. Was de geestlift misschien nog groter. Verscheden er een officiëren deze streken, dan werd dit voor hem een waarde zegetocht. Terwijl elke minarenscivil geheel bij hem in het niet veel. Er er al hebben we opgemerkt dat Maya gaf vrielig na omdanks haar ter houdtijd. Even als vroeger steeds ondringt was door het goudlustergeman. Maar zij moesten allen het veel draubelen. Toen de gewondenkonendel bij de huzagen boermin op het land goed verscheden.

Hij drog de sindsjorres oorde in het knapschat en zag interessant bleek. Ze was de jongedaamers daar zich uitrupten. Hij was ongeveer 26 jaar en was met verloof naar zijn land goed gevoven dat grensten aan dat van Maria gaf vrielig na. Ze gevoelven zich bijzonder dat hem aangetrokken. In zijn gezelschap liet ze haar zonbewege dachttevaren en leefte ze weer op. Mijn kom niet zeggen dat ze met hem conqueteerde. Maar in die dachtte haar gedrag hadden geslapen ze al hebben gezegd. Ze aanhoorn doen hij. Ze dunken. Boermin was inderdaad een innemende jongeman. Hij bezat namelijk alles wat vrouwen vragen in een man zien. Hij was atend, had goede manieren, was in het minst niet aanmatigend en heel van licht te spot. Z'n ouding was tegenoverga, Maria gaf vrielig na was invoudig en ongedroond.

Maar wat zei ook zei, waar ze ook ging, zijn hart en zijn ogen volgden haar overal. Hij deed zich kennen als een stille en beschrijden natuur. Of schooner werd gefluisd dat hij eens een geduchte lossboel was geweest. Dat deed hem echt degene afbruk in de ogen van Maria gaf vrielig na. Die zoals alle jongemeidjes, garen bereid was, die buiten sporenheiden te vergeven, welke getuigen van een boedig en onstuimig karakter. Maar meer nog dan dit alles, meer dan nog zijn tederheid, meer dan door zijn interessante bleekheid, meer dan door zijn aangenamen van die er van spreken, meer dan door zijn verbonden arm, werden haar nieuwsgerigheid en haar verbilming geprikkeld door het stilzwijgen, we hebben in de jonge man bij tijden om vervallen. Zowas zei van bewust dat zij zeer bij hem in de smaag vioel.

Maar schijnlijk had hij een internet en z'n ervaring ook al de opgemerd dat zij hem uitverkozen boven alle anderen. Maar waarom had zij hem tot nu toe diep? En haar voeten gezien en ze liefd is de kluising morgen afleggen, dat heel heel teem hiervan terug, verlegenheid, trots of de baar, baarseig van de geslepen non-grond, het was haar een raamsel. Na dat zij hier ernstig over had nagedacht, kant zij tot een slotzong dat verlegenheid de enige oorzaakom zijn. En zij besloten daarom, hebben de nodig om moeten verschaffen, door meer innocee van het te nemen en voor zover de overstandigheden dit toe lieten, meer tederheid aan de dacht te leggen. Ze bereiden een hoogst, onverwachten ondeknoping voor, en wachten met ongeduld het ogenblik af van de romantische liefd is verklaring. Een geheim, wat het ook zee, wicht altijd zwaar op het hart van het vrouw.

Hij taaptiek had de gewenste uitwerking. Boe min verfielte minsten in zo'n zommerge peins en zijn domkere ogen waren met zoveel vuur op maaien gevielofd nagedeerd dat het beslissende ogenblik heel nadijs ging. In de omtrek spakt men al over de bruilofd als over een uitgemaat te zaken en de goede perscoeien bij het rofna verheugde zich al over het feit dat haar dochter eindelijk een waardig echt genoond had gevonden. Op een dag toen de oude dame in de woonkamer op krant patiants zal te leggen van boe min de kamer binnen en vroeg dadelijk naar waar je gevielofd naam. Zij is in de tuin was het antwoord, ga het u maar naar haar toe. Dan zal ik hier op u bij de wachten. Boe min de ging de oude dames nog een thuisendag. Misschien zal het vandaag in orde kopen. Boe min vond maaien gevielofd na bij de vijf heronder deel

met een boek in de hand in het wit gekleed echt een helwin uit de rommel. Daad ik eerst de beleefd heeft vragen niet maaien gevielofd na met opzet het gesprek stokken waardoor zij een welezijds verlegenheid versterkten zodat alleen een potseling en vast per radeniefd is verklijden die zou kunnen opreden. En zo gebeurde het ook Boe min die de onhaaltebaarheid van zijn positief voelde. Verklaar daar dat hij al lang een gelezenheid had gezogd. Zijn hart bij haar uit de straks te vroeger en enkel de ogenblikken te willen aanhoor. Maar je gevielofd naast loopt haar boek en zoeg de ogen de tegen van boestendig. Ik heb u een lief, zeg maar, ik heb u uw hart stochterief, maar ja blosten en boog het hoog dwieper. Ik ben onvoorzichtig geweest bij over te geven aan een zoek te gewoon, die dagelijks te zien, dagelijks uw stem te worden.

Dit erinend maar je gevielofd na aan de eerste prijf van zijn prud. Nu is het al te laat bij tegen mijn lot te verzetten. De herinnering aan u, aan uw lief vertallige onvergeleid, unvergetelijke verschijding, zoveel van nu af te kwellingen en de vreugde van mijn leven zijn. Maar ik heb nog een zware plicht te vervullen, dus we verriezen het geheim te ontreden. En tussen ons een onverkomenlijke hinden is op te werpen. Die is er gewoon tijd al geweest, onder wordt maar je gaat vriendel op mij en me even terug. Ik zou nooit uw vrouwen kunnen worden. Ik weet het aan het woordijs zag, ik weet dat u eens heeft lief gehad. Maar de dood en drie al lang terug liever goede Maria gevielofd na. Om neemt bij niet mijn laatste toost. De gedachte dat u bereid geweest zou zijn mijn gelukkig te maken. Maar nier, zeg niet stoe, zeg niet u er op mijn pijn. Ja ik weet het, ik voel het dat u de meenigweest zou zijn.

Maar ik ongelukkig stodair schepsenen. Ik ben er al getrouwd. Volgende basis kijk Maria gevielofd na daarom op. Ik ben getrouwd, vriend boord, in het voort. Ik ben al meer dan drie jaar getrouwd. En ik weet niet wie mijn vrouw is en waar ze is, in een verkaar ooit zal terugzien. Wat zegt u? Rikt Maria gevielofd na uit. Dat is vriend, maar gaat u door. Daarna zal ik vertellen. Gaat u door als te blieft? In het begin van 1812, zo vertelde boebbin, reist ik overhuis naar Wielna, waar mijn regement lag. Toen ik op zeker avond laat bij een wisselplaats aan kwam en ik zou gewoon mogelijk willen laten inspannen, stak haar plots te lingen en heeft een heenvergestuurd op en het stationhouder en de voelieden raden mij aan te wachten. Ik voelde een rat op, maar een onverklaarbaar gevoel van onderust maakte zich van mijn meester. Het was of iemand mij aanzetten.

De sneeuw stond woede voor het, maar ik had geen geduld meer. Gaf nogmaals bevel in te spannen en reed weg, onnamste storm. De koutier vroam op de gedachten over de rivier te rijden, wat onze hitt drie wegst zou bekoorden. De oefers waren ondergesneerd, de koutier reed te plaats voorbij waar we weer op de weg moest te komen en zo doen we bevonden wij ons op onbekenten terrein. De storm hield nog steeds aan. Ik zag een licht en ga van opdraag daarin te gaan. Wij kwamen in een dorp. In de hout de kerk bronde licht. De kerk was open, binnen de gek stonden enkele sleden in het vooroportaliepen mensen in de licht. Hierheen, hierheen, hierheen, hierheenkele stemmen. Ik bevallen koutier die kant op te gaan. Waar ben je in het heem ons naam zal lang gebleven, zei iemand tegen me. De bruut is vlaogevallen, te popen weet niet wat hij beginnen moet. De wereld van plan meer te gaan, stap maar vlucht uit. Zonder van boorten zeggen stap teken uit de sleden, ging de kerkbinnen,

die vrouwen door twee of drie kaars werd verlicht. Op een bank in een donkerroof zat een jong meisje, een ander meisje vreef gaerslapen. God zij daarom zei ze, u bent nog net op tijd gekomen. Het had weinig geschild of u hadden uw vrouw de dood aangenomen. Een oude geeselijke knond op mijn toen met het vraag, wildt u dat wij beginnen? Ja, je waarde begint u maar, dat wordt ik verstroerd. Het jong meisje werd opgetuld. Ze leek me niet om knap, onbegreipelijk, onvergevelijk was mijn lichtzinnigheid. Ik stond naast daarvoor het alter. De geeselijke maaktaast, drie mannen en het meisje ondersteunen de bruut en waarin ga heel door haar in beslag genomen. Wij werden het groot. Kustelkander werd het tegen ons gezegd. Mijn vrouw keren mij haar bleken gezicht toe. Ik wilde haar kussen, maar zij giep uit. Ah, je zit niet, hij zit niet. En ze vieel bevuste los hier. Met verschik te oogensagen de getuiden mij aan. Ik keren hem om en verliek zonder de mensen tegenstand te keren.

Liet me in de sleve vallen in libanen. Lieve God. Niet maar ja, geavillen. Ga boel, Rielandna. En weet u niet wat er verder met uw arm en vrouw is gebeurd? Nee, aan het worden boer meen. Ik weet niet hoe ik door het heet waar ik getrouwt ging. Ik heb er niet van welke station ik wam. En die dagen echt ik zo weinig betekent is aan het schammerlijke van mijn kwajr jongenstrek. Dat ik toen niet goed en wel de kerd uit was in slaapviel. En past de volgende morgen weer wakker werd. Toen mij al bijdairden station waar hij aangekomen. De bediende die toen bij maat is bij de veld tot op het leven gekomen vullen ik de hopen opgegeven ooit op haar sport gekomen. Met wie je toen zo verreed de sport had verdreven. En je nu zo verreed geworden is. Gevroge niet. Vroeger te God zijn maar ja gevrilandna. En geef zijn hand u bent het geweest. En u werkt kent mij niet. Boelwind voor schoon van pleur en bier zich aan haar voeten.

MUZIEK. MUZIEK.

MUZIEK. MUZIEK.

MUZIEK. MUZIEK.

MUZIEK. MUZIEK.

MUZIEK. MUZIEK.

MUZIEK. MUZIEK.

MUZIEK. MUZIEK.

MUZIEK. MUZIEK.

MUZIEK. MUZIEK.

MUZIEK. MUZIEK.

MUZIEK. MUZIEK.

MUZIEK. MUZIEK.

MUZIEK. MUZIEK.

MUZIEK. MUZIEK. MUZIEK. MUZIEK. MUZIEK.

MUZIEK. MUZIEK.

MUZIEK.

More episodes

More from Podcast Patapoe

View all episodes →